Een paar dagen geleden noemde ik het The Public Good Game experiment. Daar kreeg ik een commentaar op waarin er op gewezen werd dat dit soort experimenten in hoge mate onbetrouwbaar zijn.

En dat is zonder meer het geval. Men noemt dit zelfs een crisis in de sociale wetenschappen omdat veel experimenten niet dezelfde resultaten opleveren wanneer deze herhaald worden. Soms kunnen ze zelfs niet eens herhaald worden omdat er onvoldoende gedocumenteerd is. En dan is er nog het probleem met de deelnemers aan zulke experimenten. Vaak zijn het studenten zodat er niet met een goede doorsnee van de bevolking gewerkt wordt.

Dat levert een probleem op: hoe kunnen we nu weten of zo’n experiment nu betrouwbaar is of niet?

Het antwoord is simpel: dat kunnen we niet. Tenzij je de mogelijkheid hebt om zelf deze experimenten on goed gecontroleerde omstandigheden te herhalen.

Een andere manier om een zekere mate van vertrouwen te krijgen in zo’n experiment is door te zoeken naar empirische bevestigingen, en om te kijken of we evolutionaire redenen kunnen vinden voor een bevestiging. Let wel, wetenschap werkt juist omgekeerd: het gaat er om om een aanname te ontkrachten, kunnen we 1 bewijs vinden om het postulaat te ontkrachten, dan is het onjuist. Ook dat moeten niet vergeten in onze ijver om iets ‘bevestigd’ te zien.

Nu is voor mij het centrale punt van The Public Good Game deze: Mensen in een groep zullen proberen ten koste van de groep de eigen positie te verbeteren indien ze weten dat er geen repercussies zullen volgen.

Dit postulaat te ontkrachten is zeer lastig want we hebben het met een ‘statische mens’ te doen. Dat wil zeggen er zullen mensen zijn die deze regel niet zullen volgen, maar wanneer een groot aantal dit wel doet dan is de regel alsnog geldig.

Empirische bewijzen zijn wat gemakkelijker te vinden. Als eerste zijn er de advocaten. Het is het werk van de advocaat om zijn klant te vrijwaren van de gevolgen van zijn daden. De advocaat zoekt naar manieren om de wet zo te kunnen interpreteren dat zijn klant niet voor de gevolgen hoeft op te komen. Vaak zullen klanten zelfs hun advocaat raadplegen voor ze hun daad begaan om zeker te zijn dat de kans op een veroordeling niet erg hoog is. De morele normen en waarden blijven daarbij buiten beschouwing.

Een tweede bewijs zien we in de hiërarchie: mensen in hogere posities zullen vaak met een slechter gedrag wegkomen dan mensen in een lagere positie. Dit weet men instinctief en moreel verwerpelijk gedrag komt hoger in de boom dan ook vaker voor dan onderin.

In de financiële markten zien we dit gedrag het sterkst. In die markten is alles nauwgezet geregeld zodat er veel mogelijkheden ontstaan die het toelaten om ‘de groep’ uit te buiten zonder dat er repercussies mogelijk zijn, want men heeft zich aan de regels gehouden. Met name in deze markt zijn regels er niet zo zeer voor de bescherming van de klant, maar voor de bescherming van de uitbuiter. Die regels die voor de klant goed zijn zijn er ogenschijnlijk alleen om het hele regelpakket acceptabel te maken. Hoe zou deze sector er uit zien wanneer er vrijwel geen regels zouden zijn, en de klanten direct -zelf/gemeenschappelijk- verhaal zouden kunnen maken bij de ‘grote jongens’?

En dan is er nog een laatste: overdreven hoge prijzen. In noodsituaties komt het steed weer voor dat prijzen van bepaalde artikelen (bv benzine) enorm stijgen. Tot soms het drie -of viervoudige van normaal. Wat weerhoud de verkopers er van om nog veel hoger te gaan? ze hebben op dat moment tenslotte een monopolie. Natuurlijk zullen er verkopers zijn die gewoon de mensen niet willen uitbuiten, maar een hoop verkopers weten ook dat ze stenen door de ruit kunnen verwachten als de situatie weer normaal is.

Kortom, ik denk dat er goede redenen zijn om de propositie van The Public Goods Game in stand te houden.