In deel 1 hebben we het idee dat we ooit objectief kunnen zijn vaarwel gezegd, en onze individualiteit verwelkomt.

In deel 2 hebben we het spanningsveld opgetekend waarin ons dagelijks leven plaatsvind: het mannelijk en vrouwelijk imperatief.

In dit deel wil ik ingaan op de derde aspect: de objectieve realiteit.

Het is waar, we kunnen zelf de objectieve realiteit nooit ervaren, maar dit wil niet zeggen dat er geen objectieve realiteit is.

Ieders subjectieve realiteit moet overlappen met de objectieve realiteit om zo de middelen voor het overleven te kunnen verkrijgen en consumeren. Een voorbeeld: iedereen moet water drinken om te leven. We kunnen nooit zeker zijn dat de ervaring van ‘water drinken’ voor iedereen gelijk is. Maar dit is niet relevant. Wat wel relevant is dat we een gedeelde realiteitservaring hebben waarin iedereen toegang tot water moet hebben.

De realiteitservaring moeten we niet verwisselen met de objectieve realiteit wanneer we dit filosofisch bekijken. Voor het dagelijks leven is deze “verwisseling” echter zeer nuttig. Het maakt het leven voorspelbaar. En wanneer een voorspelling eens niet uitkomt dan gaan we daar wel mee om als het zo ver is.

Het dagelijks leven wordt door vele mensen gedeeld, en we kunnen er dan ook van uitgaan dat er niet veel verassingen te verwachten zijn. Dit gedeelte van onze wereldbeelden zullen aardig overeenkomen.

De wetenschap houdt zich bezig met het zoeken naar beschrijvingen die de wereld ook in groter detail beschrijven. Dit is erg lastig en wordt door subjectieve factoren beïnvloed. Om de subjectieve factoren zo klein mogelijk te maken heeft men in de wetenschap de “wetenschappelijke methode” ontwikkelt. O.a. verwoord door de filosoof Karl Popper als “kritisch rationalisme”.

De wetenschap bestaat eigenlijk uit twee delen: het ene deel zijn de wetenschappers zelf, en het andere deel is de verzameling van actuele theorieën die de realiteit beschrijven. Een theorie wordt verworpen (of aangepast) wanneer deze geen correcte voorspellingen levert.

De wetenschappers zelf stellen theorieën op, toetsen theorieën, en wanneer nodig, verwerpen theorieën. De wetenschapper zelf en zijn wereldbeeld zijn onafhankelijk van de theorieën. Dit laatste is essentieel. Een wetenschapper is net als ieder ander mens opgesloten door zijn ervaring van de wereld, in zijn eigen persoonlijke wereldbeeld. De theorieën waarmee hij werkt (of zelfs opstelt) staan hierbuiten.

Een theorie kan echter alleen als fout bewezen worden. Nooit als correct. Zelfs een theorie die al honderden jaren lang correcte voorspellingen heeft gedaan kan op ieder moment ontkracht worden door slechts 1 foute voorspelling. (Dit maakte Einstein zo beroemd, hij ontdekte dat de toen geldende zwaartekrachtstheorie fout was en verving deze door een nieuwe betere theorie)

De huidige set van theorieën (die nog niet foutief bewezen zijn) kunnen we omschrijven als ons meest nauwkeurige wereldbeeld van de objectieve realiteit. Als geld het wel dat het gebruik van dit wereldbeeld voor eigen risico is!

Onze levensbehoeftes bevinden zich in de objectieve wereld. Wij bevinden ons in onze subjectieve wereld. Wanneer deze beide voldoende overeenstemmen is het mogelijk om in de levensbehoeftes te voorzien. Wanneer het subjectieve wereldbeeld te zeer vervreemd is van het objectieve wereldbeeld dan zijn we niet langer in staat om in onze levensbehoeftes te voorzien. We hebben dan de keus tussen het bijstellen van het subjectieve wereldbeeld of sterven.

Wat voor ons als individu geldt, geldt ook voor een samenleving als geheel. Is het “gemiddelde wereldbeeld” van alle individuen in die samenleving te ver verwijdert van de objectieve realiteit, dan zal ook die samenleving niet langer kunnen voortbestaan. Opm: Ik spreek hier van “gemiddelde wereldbeeld”, maar dat is in feite onjuist. Niet iedereen draagt in gelijke mate bij tot de vorming van het samenlevingswereldbeeld. De overheidsorganisaties en media dragen veel meer bij dan de bevolking zelf.

Dit deel van “Een Gedachte” wil ik dan ook afsluiten met deze conclusie: De samenleving wordt gevormd door het krachtenspel tussen het mannelijk en vrouwelijk imperatief maar is ook gebonden aan de objectieve realiteit.

volgende