In deel 1 hebben we het idee dat we ooit objectief kunnen zijn vaarwel gezegd, en onze individualiteit verwelkomt.

In deel 2 hebben we het spanningsveld opgetekend waarin ons dagelijks leven plaatsvind: het mannelijk en vrouwelijk imperatief.

In deel 3 hebben we bekeken hoe we de objectieve realiteit kunnen benaderen.

In dit deel wil ik de driehoeksverhouding tussen: Mannelijk imperatief (MI), Vrouwelijk imperatief (VI) en objectieve realiteit (OR) belichten.

Ter herinnering: wanneer ik het over mannelijk of vrouwelijk imperatief heb, dan heb ik het niet over ‘de man’ of ‘de vrouw’ maar over een spectrum waarbinnen iedereen zich bevind.

Mannelijk imperatief: Het is de rol van de man om producten aan de natuur te onttrekken en deze aan zichzelf en de vrouwen beschikbaar te stellen. Het MI heeft er baat bij om de natuur zo goed mogelijk te begrijpen. Wetenschap is daarom een deel van het MI.

Vrouwelijk imperatief: Het is de rol van de vrouw om voor kinderen te zorgen en daarvoor van een/de man(nen) producten te verkrijgen. Er is geen directe verbinding met de objectieve realiteit nodig. Wanneer de producten verkregen kunnen worden door beloftes of ingebeelde wereldbeschouwingen dan dient dat allemaal het doel van de voortplanting van de genen.

Ingebeelde wereldbeschouwingen zijn concepten die geen evenbeeld in de objectieve realiteit (moeten) hebben. Denk aan dingen als ‘fairness’, ‘gelijkheid’, ‘vergeving’ etc. Sommige van deze concepten versterken elkaar, vormen meme complexen en worden samengevat in een ideologie. Denk hierbij aan religie en dingen als mensenrechten of overheden.

Ik zou willen stellen dat het VI de lijm levert die de samenleving bij elkaar houdt. Het MI daartegen houdt die samenleving dicht genoeg bij de objectieve realiteit om te kunnen overleven.

Maar dit is geen statische verhouding. In tijden waar de productiviteit sterk stijgt (de jacht is gemakkelijker geworden, het klimaat vruchtbaarder, nieuwe productie methodes etc) kunnen meer mannen onttrokken worden aan die productie en een rol gaan vervullen binnen het VI. Stijgende productiviteit zorgt voor een grotere invloed van het VI, en een dalende invloed van het MI. Wanneer de productiviteitstoename groot genoeg is dan kan (zal?) de samenleving gedomineerd worden door het VI. Het MI verdwijnt naar kleinere eilandjes binnen de productieve sector.

Uiteindelijk neemt de bevolkingsgroei echter dusdanig toe dat de productiviteit ontoereikend geworden is. De samenleving ondergaat dan een onrustige periode waarin oude denkbeelden worden ontworteld en het MI weer aan invloed wint. De productiviteit neemt weer toe, en in deze eerste fase van toename stijgt de welvaart en de invloed van het MI tegelijk.

Na verloop van tijd echter verdwijnt de ervaring dat het MI en welvaart hand in hand gaan en welvaart wordt als een grondrecht gezien. Het VI neemt weer overhand en het MI verdwijnt weer naar productie eilandjes.

Ik denk dat deze golfbeweging tussen de invloeden van het MI en VI verantwoordelijk zijn voor de opkomst en ondergang van beschavingen. Het zijn dan ook geen processen die zich binnen een mensenleven voltrekken, maar vele honderden jaren duren.

Overigens moet in deze samenhang ‘productie’ in de ruimste zin van het woord gezien worden. Alles wat een overvloed aan producten opbrengt is productie/innovatie. Het kan (en was vaak het geval) dat een betere militaire technologie ‘productie’ opleverde door plunderingen en/of onderwerping van gebieden buiten het eigen domein. En zo lang er gebieden waren die veroverd konden worden, bleef de productie toename aanwezig. Om dan vrij plotseling te stoppen wanneer ook de verst bereikbare gebieden waren onderworpen.

Ik zie de golfbeweging tussen links/rechts of r/K selectie ook als uitingen van de golfbeweging tussen het VI en MI.

volgende