In het eerste hoofdstuk heb ik geschreven dat er gewerkt moet worden om te leven. Hier wil ik er op wijzen dat er altijd meer geproduceerd moet worden dan er geconsumeerd kan worden. Het is duidelijk dat er nooit meer geconsumeerd kan worden dan er geproduceerd is. Maar men zou kunnen denken dat er wellicht net zo veel geproduceerd kan worden als er geconsumeerd wordt. Echter ook dit is onmogelijk. Wanneer productie en consumptie altijd momentaan in evenwicht zijn dan is het niet mogelijk om voorraden aan te leggen voor tijden waarin er -door omstandigheden- minder geproduceerd kan worden. Deze omstandigheden kunnen individueel zijn (bv ziekte) of van buitenaf komen (bv seizoenen).

Meer produceren dan consumeren noemen we sparen. Het probleem met sparen is dat het teveel geproduceerde in kwaliteit altijd afneemt. Dat kan snel gaan (bv brood) of langzaam (bv een pan) maar het is onvermijdelijk. Zelfs de pyramiden zullen ooit een door de wind verwaaid hoopje stof zijn.

De kwaliteit afname is er voor verantwoordelijk dat er altijd meer geproduceerd moet worden dan geconsumeerd kan worden.

Net als de voorafgaande regel (werken om te leven) is deze regel (meer produceren dan consumeren = sparen) fundamenteel. We zouden dit ook kunnen schrijven als: We moeten werken en sparen om te kunnen leven.

vorige: Leven en werken

volgende: Sparen en schuld