In het voorgaande heb ik betoogd dat productie altijd hoger moet zijn dan de consumptie. Impliciet hierin is dat er gespaard wordt. Immers wat niet direct verbruikt wordt, wordt gespaard voor verbruik op een later tijdstip. Overproductie is daarom synoniem met sparen.

Nu kan men natuurlijk zijn eigen producten sparen voor later verbruik maar daar kleeft een nadeel aan: ontwaarding door kwaliteitsafname (bv rot). Ter illustratie: in een primitieve samenleving zonder noemenswaardige technologie kan een visser zijn vissen niet bewaren om over een week te eten. Het voedsel zou bederven en waardeloos worden. Het ligt veel meer voor de hand om het overschot (het gespaarde) te delen met anderen en daarvoor op een later tijdstip met gelijkwaardige producten gecompenseerd te worden. Bijvoorbeeld een visser deelt zijn vangst met een jager die daarvoor later met een fink stuk hert de visser compenseert.

Interessant hierbij is dat het delen van overproductie in wezen niets anders is dan het creëren van schuld. Diegene die de overproductie ontvangt neemt een schuld op zich om deze consumptie op een later tijdstip in te lossen. De schoolwaarheid dat krediet pas ontstond na de de creatie van geld lijkt dan ook niet op historische feiten te rusten. Het lijkt veel aannemelijker dat geld vooraf werd gegaan door krediet.

Ook interessant is dat de schuld verstrekker (spaarder) een keuze heeft: hij kan kiezen aan wie er “krediet” zal worden verstrekt. De krediet verstrekker zal verschillende aspecten tegen elkaar afwegen: de mogelijkheid dat de schuld niet ingelost wordt zal daarbij zeker een sterke rol spelen. Het ligt voor de hand dat de meest kredietwaardige schuldnemer de beste kansen heeft. Er speelt echter meer mee: bij afwezigheid van een kredietwaardige schuldnemer zal het geproduceerde toch in waarde afnemen. Er zit dus een zekere dwang achter om de overproductie toch ergens als schuld onder te brengen. Deze dwang staat in direct verband met de snelheid waarmee het product in kwaliteit afneemt. Vis neemt zeer snel in waarde af en zal eventueel zelfs aan iemand gegeven worden waarvan de visser kan aannemen dat de schuld nooit ingelost zal worden. Een duurzaam product als een pan zal men echter liever zelf bewaren dan aan iemand te geven die dit nooit zal compenseren.

Met name in primitieve samenlevingen lijkt het aannemelijk dat in tijden van overvloed iedereen gevoed zal worden. Ook zij die hun schuld niet kunnen of zullen inlossen. Dit lijkt bevestigd door archeologische opgravingen waarin botresten zijn gevonden van mensen die dusdanig vervormd waren dat deze mensen bij hun leven niet hebben kunnen bijdragen aan de fysieke productie.

Maar er zijn ook parallellen met de huidige mensen te vinden: bv, als men een goede stoel heeft die men niet langer wil hebben dan wordt vaak in eerste instantie geprobeerd om de stoel aan familie, vrienden en kennissen te geven. Overduidelijk met de achterliggende gedachte (maar niet verwachting!) er ooit iets voor terug te kunnen verkrijgen. Lukt dit niet, dan zullen velen er voor kiezen de stoel aan de kringloop winkels of goede doelen te schenken. Pas wanneer ook dat niet lukt zal de stoel bij het afval belanden. Opmerkelijk is hierbij dat de restwaarde een belangrijke rol speelt; voor een stoel zal men meer moeite doen dan voor bv een appel, en men zal bij een hogere restwaarde meer kijken naar de mogelijke inlossing van de schuld. I.e. Eerst familie, dan vrienden, dan kennissen, dan een willekeurig persoon.

Voor mij is de belangrijkste realisatie hieruit dat sparen en schuld intrinsiek samenhangen. Schuld is alleen mogelijk als er ook gespaard word. Maar ook dat schuld een manier is om te voorkomen dat het gespaarde waardeloos wordt. Een schuldnemer vervult daarmee een belangrijke en niet te verwaarlozen rol. Met andere woorden, schuld op zich is niet slecht!

vorige: Meer produceren dan consumeren

volgende: Schuld en rente